'Een mens is  pas vergeten als zijn naam  vergeten is'
 

Familie Grunbaum

 

In 1933 ontvluchtte Kate Grunbaum-Kahn en haar man Max Grunbaum hun woonplaats Schluechtern, Duitsland voor het opkomend nationaal-socialisme. Samen met hun 2- jarige dochtertje Suse ging de reis richting Engeland. Bij Dinxperlo werd de Nederlandse grens bereikt en de familie besloot om in Dinxperlo te blijven. Waarschijnlijk stond het landelijke karakter van de streek Max Grunbaum, die paardenhandelaar was in luxe- en werkpaarden, wel aan. In 1941 voegde zich Kate's moeder, de weduwe Frieda Kahn, zich bij het gezin in Dinxperlo.

 

Na de inval van het Duitse leger in Nederland op 10 mei 1940, moest ook de familie Grunbaum zich onderwerpen aan de regelgeving van de Nazi's betreffende Joden. In 1943 besloten de Grunbaums onder te duiken. Maar enkele dagen voordat het zover was, maakte Frieda Kahn op 2 april 1943 een einde aan haar leven. Haar gezondheid was dusdanig slecht, dat zij een periode van onderduiken niet meer als een optie beschouwde. Zij ligt begraven op het Joodse kerkhof in Dinxperlo.


Via de ondergrondse verzetsbeweging werd er een plaats gevonden voor het gezin.

Vader Max werd ondergebracht bij Gerrit en Geertruida Jolink in ???

Kate en haar dochter Suse vonden twee jaar lang onderdak op de boerderij van Bernard en Mina Hartemink in Sinderen.

Herman Migchelbrink, schoolmeester en verloofde van dochter Leida Hartemink, gaf Suse een maal per week onderricht. Ook zijn familie herbergde onderduikers.


De families Jolink, Hartemink en Migchelbrink zijn na de oorlog onderscheiden door Yad Vashem voor hn hulp aan Joodse onderduikers.